A.C. van Dorp

Andries Casper van Dorp (1913-1966) door Wim G. van Dorp
Andries Casper (roepnaam André) is op 2 maart 1913 geboren in de Wateringstraat bij de Noordsingel. Hij was het enige kind in het gezin van Casper van Dorp (geboren 2 april 1883) en Maria Lena Elizabeth de Blauw (geboren Dordrecht 26 februari 1887; gehuwd op 2 februari 1910; overleden op 7 december 1934).  Voor de stamboom van het geslacht Van Dorp: zie de webpagina genealogie Van Dorp.
De Wateringstraat was een zgn. sousterrain-woning. Beneden was de stoffeerderij, daarboven de woning. De stoffeerderij was van vader Casper. Het bedrijf is later failliet gegaan. Daarna is Casper bij zijn broers gaan werken in de betonbouw bij Voormolen (op zijn persoonskaart staat “beton timmerman”; bij broer Isaac staat op de persoonskaart: “uitvoerder van bouwwerken”). Na het overlijden van vader Isaäc(1929)  zouden z ezijn  ze gaan wonen bij tante Marie (een zus van Casper; op de Bergselaan(?)). Later zijn ze weer zelfstandig gaan wonen, o.a. op het Willibrordusplein. Het gezin is om onbekende redenen naar Sliedrecht verhuisd. Over deze periode is overigens weinig bekend. Daarom een opsomming van enkele data:

  • 03-01-1934  het gezin keert terug vanuit Sliedrecht naar Rotterdam (persoonskaart Casper)
  • 07-12-1934  overlijden van (oma) Maria Lena Elizabeth
  • 28-03-1936  verhuizing naar de Raephorststraat 113a

Door de verhuizing naar de Raephorststraat ontstonden er contacten met het gezin dat de bovenwoning huurde: het gezin van Willem Gerrit de Koning met zes dochters, waaronder Jeanne (Sjaan), de oudste dochter, met wie André later zou trouwen. Willem en zijn vrouw woonden daar overigens al vanaf 1913. Vooral in de oorlog kwamen er meer contacten met het gezin boven (“je hielp elkaar toch zo veel mogelijk” aldus mama Jeanne).  André is in november 1944 opgepakt bij de razzia. Volgens de verhalen moest hij lopen naar Utrecht. Hij is daar een paar dagen geweest; kreeg het toen benauwd en mocht naar huis.
André en zijn vader zijn in 1949 (volgens de persoonskaart op 17 mei) verhuisd naar het nieuwe huis Landmanstraat 18b. Het huis is nog door Jeanne schoon gemaakt. Na het huwelijk tussen André en Jeanne op 12 juli 1950 zijn ze daar gaan wonen. Vader Casper heeft jarenlang daar “ingewoond”. Aanvankelijk sliep hij in de keuken. De rest van het gezin (inmiddels waren er twee kinderen geboren) in de achterkamer. Op 26 februari 1954 verhuisde het gezin naar Landmanstraat 16b (een driekamerwoning in plaats van de tweekamerwoning op 18). Opa Casper kreeg toen een eigen slaapkamertje. Voor allerlei herinneringen aan de Landmanstraat,  zie daarvoor de aparte webpagina. Opa Casper woonde vanaf 23 januari 1962 in “Gemeentelijk tehuis voor ouden van dagen” in de Oostervantstraat 17 in Rotterdam. Kort daarna is hij op 1 juni 1962 plotseling – tijdens een korte vakantie in Epe – overleden.

André was beperkt door zijn mogelijkheden door een vrij ernstige vorm van astma. Vooral in zijn huwelijk heeft dat tot gevolg gehad dat hij geen vaste baan had (en dat waarschijnlijk ook niet wilde). Dat zou teveel ziekteverzuim geven. Ik vermoed dat hij ook wel op een bepaalde vorm van vrijheid gesteld was. Hij noemde zichzelf technisch publicist (op zijn persoonskaart staat “documentalist”).  Zijn werk bestond vooral uit schrijven van artikelen over allerlei technische onderwerpen voor allerlei bladen. Verschillende artikelen zijn te vinden in het het menu download documenten.

André was niet gedoopt en voor zover ik weet ook niet gelovig opgevoed. Opa Casper was wel nog gedoopt, maar kennelijk leefde het christelijk geloof niet in het gezin. Dat werd anders na zijn huwelijk: Jeanne was lid van de Gereformeerde Gemeente. Opgegroeid en belijdenis gedaan in de Boezemsingelkerk (de kerk van ds. G.H. Kersten). Op Zuid lid geworden van de Gereformeerde Gemeente Rotterdam-Zuid, die in mijn tijd kerkte in het enorme kerkgebouw aan het Mijnsherenplein.
Papa was oprecht geinteresserd in het geloof. Wij lazen thuis na het avondeten (ik denk bijna tot aan zijn overlijden in 1966)  altijd uit de Kinderbijbel: dat kon hij begrijpen. Hij is zelden in de kerk geweest. Zijn ziekte stond hem dat niet toe en het zal ook wel onwennig zijn geweest. Ik herinner me nog dat hij tegen een ouderling die op huisbezoek was, zei: de dominee doet precies het omgekeerde van wat ik altijd moet doen: hij maakt van een korte tekst een lange preek; ik maak van een lange tekst een korte samenvatting.

Van de tijd tot en met de Tweede Wereldoorlog is er weinig over André bekend. Direct voor de oorlog heeft hij meegewerkt aan twee tentoonstellingen (zie onder). In de oorlog werkte hij bij het ASRO, het gemeentelijk orgaan dat belast was met de herbouw van de stad. Rotterdam was immers door het bombardement van de Duitsers op 14 mei 1940 zwaar verwoest.

Terug naar het publicatiewerk. De belangrijkste tijdschriften waarin André publiceerde waren: Natuur en Techniek, Doelmatig Bedrijfsbeheer, de Zakenwereld en Metaal en Techniek. Het laatste blad was het verenigingsblad van de Metaalunie. Van tot 1965 is hij daarvan hoofdredacteur geweest. André werkte één dag per week bij Stichting Havenbelangen als documentalist. Hij verzorgde – in de tijd dat er nog geen computers waren – de documentatie. Dat betekende dat allerlei artikelen over de Rotterdamse Haven in diverse kranten en tijdschriften werden aangestreept en vervolgens werden uitgeknipt en opgeplakt. Van het artikel werd een fiche gemaakt en systematisch opgeborgen, zodat het altijd was terug te vinden. Daarvoor had André een documentatiesysteem ontwikkeld. Dat was één van zijn specialiteite: het maken van een derelijk documentatiesysteem: hij had er ook thuis één voor zijn archief. Maar hij heeft ze ook gemaakt voor anderen, bijvoorbeeld de firma Veder, een scheepvaartbedrijf. Mijn (WvD) voor dergelijke overzichten komt dus van geen vreemde.
Over de stichting Havenbelangen:ik weet nog dat mijn vader dit werk erg leuk vond. Hij was er even uit (voor de rest werkte hij altijd thuis); het werk had geen dringend karakter (een dag ziek was niet zo erg) en hij had er leuke contacten. Het kantoor bevond zich in het Beursgebouw op de Coolsingel in Rotterdam. Als kinderen gingen we met mama hem nog wel eens ophalen. Met lijn 2 gingen we dan van Rotterdam-Zuid met lijn 2 naar de stad: lopen naar de Wolphaerstbocht (de tram reed toen nog niet op de Boergoensevliet), en dan – bij voorkeur in het aanhangrijtuig – over de Maasbruggen naar de stad.  In de vakanties gingen we wat vroeger: eerst winkelen en dan op papa wachten: voor de (nieuwe) Bijenkorf. Uit het raam van het kantoor kon hij ons dan zien staan. Dat is ook de situatie waarop hij eens tegen zijn collega’s daar heeft gezegd: daar staat mijn ex-vriendin. Iedereen schrok natuurlijk, waarop hij zij dat het zijn vrouw was. Ik denk dat mijn vader ook wel humor had. Het verhaal moet van hemzelf gekomen zijn natuurlijk, want wij waren daar niet bij.

Een andere activiteit van André was zijn medewerking aan Losbladig Centrum in Bergen op Zoom, met de heer Nico Bröker, vermoedelijk vanaf 1963. Zij hadden samen (ik vermoed dat mijn vader de bedenker was) een kaartsysteem ontworpen. Op iedere kaart werd een bepaald product of een bepaald systeem besproken, dat nuttig kon zijn voor een bedrijf. Zo kon je snel een overzicht krijgen van wat er op de markt was. In die tijd was er immers nog geen internet en geen zoekmachine. De kennis van producten die er waren moest je uit boeken en tijdschriften halen. Maar daardoor ontbrak het overzicht. Dit kaartsysteem probeerde dat overzicht te bieden. De abonnees kregen elke maand een set nieuwe kaarten. De rubricering was natuurlijk van mijn vader. Hij had eerder ervaring opgedaan met deze materie door zijn tijdschriftartikelen en door zijn in 1963 verschenen boek “Bouw en inrichting van groeiende bedrijven”.

Eén van zijn activiteiten was ook het geven van medewerking aan tentoonstellingen. Hij deed dat ook op free-lance basis. Dat begon al voor de oorlog met de tentoonstellingen “Ontdek uw stad” en “Rotterdam-Batavia”. Na de oorlog heeft hij meegewerkt aan ..Kust en Branding”en aan “Aye-Aye”. Hij deed denk ik vooral documentatiewerk. Ik kan me het meest herinneren van de tentoonstelling Aye Aye in Hoek van Holland ter gelegenheid van het 150 jarig “bestaan” van de Nieuwe Waterweg. Hij heeft daarvoor de opzet (het thema gemaakt), de inrichting ontworpen en – denk ik – ook de verschillende themaborden ontworpen. Voor de commerciële inzendingen – de contacten met de bedrijven – zorgde iemand anders (de heer….), dat was niet zo zijn sterke kant. Mijn vader was niet zakelijk – ook dat is iets wat ik van hem heb geërfd. Bij de tentoonstellingen werkte hij veel samen met Jan de Keijzer, een architect. Het contact was er al voor de oorlog bij de genoemde tentoonstellingen. Jan de Keijzer is op 26 februari 1989 overleden (laatste adres Noordsingel 18a). Op zijn tachtigste verjaardag ben ik nog op de receptie geweest: zie de foto. Hij was min of meer een huisvriend, één van de weinigen die mijn vader had. In deze kring verkeerde ook de kunstenaar Pieter den Besten (zie www.instijl.nl/denbesten.htm), die onder andere artistiek directeur was van Rotterdam Batavia. Het logo en de kerstkaart 1940 voor de medewerkers waren onder andere van zijn hand. Ik denk dat mijn vader hem ook wel persoonlijk heeft gekend.

Papa is overleden op 7 juni 1966. Wij waren als kinderen alleen thuis. Mama was naar dokter Ephraim gegaan (aan het einde van de straat) om een nummertje te halen. Mijn vader zou naar de dokter gaan, maar mijn moeder wilde hem het lange wachten zoveel mogelijk besparen. Hij was al een paar dagen niet lekker. Plotseling overleed hij in de woonkamer. Ik denk dat ik snel de dokter heb gebeld. Maar voor dat hij kwam was het al te laat. Afgezien daarvan was reanimatie in die tijd nog niet gebruikelijk.
Vader is op 10 juni 1966 begraven op de Zuiderbegraafplaats in Rotterdam. De begrafenisdienst werd thuis gehouden door dhr. A. van Bochove, ouderling van de Gereformeerde Gemeente (mijn vader was geen lid). Het was de warmste dag van het jaar. Het graf is al jaren geleden geruimd.

 

 

Comments are closed.